Ach, brave Jacobus Fredericus de Brie, aan al die dingen denk je niet, nu je daar zit op je dak־ kamertje. Heb je nooit aan gedacht. Je kijkt, ja zeker: een beetje wezenloos, naar de cocosmat op den vloer. Moet noodig eens een nieuwe komen; jawel, een nieuwe! Matten kosten geld en je mag 'blij zijn, als moeke־van־beneden je nog langer genadebrood laat eten.
״Die knul op dat dakkamertje is 'n schlemiehl."
Frans Hokkert heeft dat gezegd. Jacobus Frede־ ricus de Brie heeft het niet gehoord. Maar die zin leeft! Er zijn menschen, wier woorden banvloeken zijn.
De oude De Brie was optimist; dat is een mis־ daad.
Voor die misdaad moet jij boeten, Jacobus Fredericus! Je vader heeft je laten leeren, de ver־ waande blijmoedige dwaas. Engelsch natuurlijk, anders zou je dien brief voor John Masters niet hebben kunnen lezen; zou je straks niet met Mr. Lawrence hebben kunnen spreken.
״De vader is een kleermaker---- de jongen
wordt kantoorheer!" heeft je vader gezegd.
Nu bén je kantoorbediende. Dat is een vak. Er zijn duizenden, die vandaag־den־dag niet eens aan het leeren van een vak toekomen. Wier carrière begint bij den kruidenier, die een jongen noodig heeft, goed kunnende fietsen en van goede ge׳
159