״De gerechtigheid____ de gerechtigheid, zegt־
ie.... Onze aandeelen staan vandaag op zeven־ honderd vier en twintig.... jouw gerechtigheid is in twee duizend jaar nog nooit boven pari geweest."
״Maling aan je gerechtigheid", hoont Monsieur Marcel nu ook, ״die sentimentaliteit breekt jullie
Duitschers altijd den nek____ Zie nu maar eerst
dat je het patent te pakken krijgt en als je dan nog in elk geval je geweten gerust wilt stellen, kun je wat mij betreft dien De Brie nog altijd bij de politie aangeven! De belooning geef je maar weg voor een of ander liefdadig doel."
Het geweten van Herr Gutsberg, hoe kan Monsieur Marcel dat hier ter sprake brengen? Het geweten van Herr Gutsberg heeft met zijn zaken immers niets te maken. Dat is een ding voor privé־gebruik; je geeft je kinderen een goede opvoeding. Eenmaal per jaar schenk je zooveel duizend Mark voor de ״Kriegswitwenunterstüt־ zungsverein"; verder heeft je vrouw een royaal huishoudgeld; kan ze ook nog wat aan liefdadig־ heid doen. Dat alles is: geweten. Maar: zaken blijven zaken. De strijd om het bestaan wordt ge־ voerd op het mes. Nood breekt wetten. Het belang van een geheel volk gaat boven het succes van de politie in een groot boerendorp als Amsterdam. Bovendien was die John Masters ook niet zoo'n
127