ZESDE HOOFDSTUK.
Frans Hokkert klautert trap na trap op, naar vier hoog. Zijn adem gaat moeilijk.
״Sodeju", vloekt hij, „het lijkt warempel wel, of die idioot boven op den Westertoren zit.... Kon zeker niet nóg' hooger gaan wonen, de donderhond____"
En tóch heeft Frans niet den duvel in. In tegen־ deel!
Hij heeft lol!
Alles loopt hem immers mee, vandaag. Eerst dat kaantje met dien mof, dien Herrn Gutsberg. De vent bracht compleet den moordenaar met naam en toenaam bij hem op het bureau. Er moesten meer van zulke kerels in de wereld rond־ loopen; konden ze de honden wel op wachtgeld stellen.
En nou pas weer dat boffie hier in de Helmers־ straat.
De pensionhoudster, eindelijk ontwaakt uit een eindelooze serie zenuwtoevallen, was een schoot־ hondje, zoo tam en beverig stond ze voor hem.
Of het lijk al teruggekomen was.
„Niks van gemerkt, meneer de hoofdcommis־ saris" zei de sufferd, die zelfs niet aan humor dorst denken.
Of er soms nog meer dooien gevallen waren.
104