Hij was, naar mijn schatting, dichter bij de zeventig dan bij de zestig. Kort en gezet. Een gezicht als oude klei, vol groeven. We zijn goede vrienden geworden, hij en ik.
' Zijn levensgeschiedenis was weinig opmerkelijk. In het East End was hij geboren, in Stepney; dat is het hartje van de Londense achterbuurt, waar Joodse emigranten jaren geleden bij elkander gingen hokken. In de confectie ging hij werken. Eerst in het personeel van een groot bedrijf, waar de mensen werden uitgebuit en voortgejaagd. Jankele was (dat vertelde hij vol trots) in zijn jonge jaren een stevige knaap geweest. Daarom werd hij perser. Maar dat was geen gemakkelijk beroep. Destijds werden de persers per stuk betaald. Het loodzware ijzer werd verhit met houtskool, die in een soort comfoortje onder in het gereedschap was ingebouwd. Die gloeiende stukken houtskool walmden tot zijn hoofd ervan scheen te barsten. Ja, werkdagen van zestien uur maakte hij toen; en dan strompelde Jankele naar zijn krotje. Weer een werkdag voorbij.
Dat beulswerk met het zware hete persijzer vrat aan zijn ijzersterke lichaam. Ofschoon hij een goed weekgeldje verdiende, heeft hij de perserij er toen maar aan gegeven. Hij verhuisde naar de kleermakerij. Hij leerde een vak; en nu hij oud was, kon hij tenminste nog een paar pond in de week verdienen. Als eigen baasje. Tegenwoordig gingen zijn hersens vlugger dan zijn handen, en als je dan, zoals hij, op de ouderwetse manier alles op de hand naaide, well sir, dan verdien je niet veel. Never mind. Hij had ook niet zoveel nodig. Zijn vrouw was jaren geleden gestorven. Twee zoons had hij. Harry, de oudste, woonde in Palestina. Die was soldaat. Wéér soldaat. De eerste keer, dat die een uniform aantrok, was nu al weer meer dan twintig jaar ge-
191