haren grijs. De ogen flets. Een cadavreuse man, zoals hij daar in het zonlicht wandelde.
״Ik ben stijf van de arthritis", vertelde mij me. ״Een paar maanden geleden heb ik de schrik van mijn leven gehad. Een of andere militaire dokter in Duitsland zei me, dat hij kanker bij mij vermoedde. Hij gaf me nog drie maanden te leven en dan zou 't afgelopen zijn. Ik moest me direct in Londen laten X-en. Volkomen kapot ben ik naar huis gereisd. Te beroerd om mijn koffertje te dragen. Voortdurend met die gruwelijke angst, dat ik nog maar een paar maanden te leven had. Zoveel mensen heb ik naar hun dood geleid... en zelf ben ik zo bang voor het sterven . . . Het was geen kanker; zware arthritis, volkomen verwaarloosd . .. ha, ha, ha .. . wat een mop! Ik weet zeker, dat die militaire arts in Duitsland me eenvoudigweg bedonderd heeft. Die heeft Zephyr da Costa bang willen maken .. . Natuurlijk een complot met andere officieren. Zij zouden mij breken! En het is hun gelukt; de fielt... hij moet aan mijn gezicht hebben gemerkt, dat ik bang was, doodsbang . . . Als ik 'm vóór me had, schoot ik hem neer. En nu heb ik ontslag genomen. Ik ga op mijn flatje in Londen zitten. Met mijn souvenirs ... de cigarettenkokers, de revolvers, de zakboekjes, de spiegeltjes en de kammetjes, die me herinneren aan de mensen, die ik naar hun moeder teruggestuurd heb. En 's avonds draai ik een gramo-foonplaat.. Je kent mijn favoriet." En óf ik die gramofoonplaat kende! Zephyr is er zo verzot op, dat hij de plaat meebracht, elke keer, wanneer hij destijds in Engeland een week-end bij ons kwam logeren. Hij scheen zonder die muziek niet te kunnen leven.
Het was de plaat, waarop Sophie Tucker het lied zingt
I
167