Na dat gesprek in de club, heeft Zephyr me van het verdere verloop op de hoogte gehouden. Toen Bronkema eindelijk door de Engelsen werd vrij gelaten, omdat zijn ondervraging in het gesticht toch geen nieuws meer kon opleveren, ging hij op een flatje wonen in de buurt van Paddington Station. Hij kreeg een klein baantje bij de centrale rederij, die de Nederlanders toen in Londen exploiteerden. De man leefde uiterst zorgvuldig. Punctueel op kantoor. Altijd op precies dezelfde tijd verliet hij zijn huis. Stapte op een bus. Klokslag negen uur zat hij voor zijn bureau. Het miste nooit, 's Avonds regelrecht naar huis. Nooit naar een kroeg. Nooit gezellig uit met vrienden. Geen vriendinnen. Nooit eens naar een bioscoop. Nooit visite van vreemden. Nooit brieven. Een door-en-door soliede Hollander.
״Mij t é soliede," mopperde Zephyr, ״zulke fatsoenlijke mensen bestaan niet.. ."
Wekenlang heeft Zephyr het huis bij Paddington Station geschaduwd. Bronkema zat intussen, alles bij elkaar al ruim vier maanden in Engeland; en nog geen spoortje van een aanwijzing, dat er iets met die knaap niet in de haak was.
„Ik zou het maar opgeven," zei ik op een middag tegen Zephyr, ,.die vent is te stom om verkeerd te zijn. En jij blameert je maar." Zephyr keek me grimmig aan:
„Ik ben er beslist van overtuigd, dat de knul niet deugt." Ik haalde de schouders op en zei schamper: „Wees dan een kerel en heb de moed die knaap te laten op pakken. De bevoegdheid heb je. Op verdenking van spionnage kun je hem een paar dagen vasthouden. Maar ik zou me nog maar eens een nachtje bedenken
159