onderwereld terecht, want monsieur zijn baas was een hele Piet in de Franse contra-spionnage. Lang heeft Zephyr het in die nieuwe betrekking niet behoeven uit te houden. In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Toen zat hij in Parijs. De Fransen wilden graag een vent hebben, die in Berlijn ging wonen, daar goed uit zijn ogen zou kijken en die rapporten kon sturen over alles wat hij zag of hoorde. Monsieur, de hoge ome, vroeg aan zijn lijfwacht wat die van dat baantje dacht. Als hij had gevraagd: ״Zephyr wil je voor ons als spion naar Berlijn gaan?" ... had de knaap misschien bedenktijd gevraagd. Maar de Fransman kende zijn lijfwacht blijkbaar al vrij goed, want hij vroeg:
״Zou je het aandurven voor ons naar Berlijn te gaan?" Toen kón Zephyr geen ,neen' meer zeggen. Hij is er nog steeds trots op, dat hij de vindingrijke Fransen eenvoudig verbluft heeft doen staan, toen hij hun uitlegde hoe hij zijn rapporten uit Berlijn naar Frankrijk zou krijgen. In Parijs hadden ze daar allerlei romantische foefjes voor bedacht: geheime inkt en dergelijk detective-verhaaltjes-gedoe. Zephyr had een beter plan; het schoot hem te binnen op hetzelfde ogenblik, dat hij zich bereid had verklaard naar Berlijn te gaan. Hij had in Nederland een vrouwelijke kennis (aan vriendschap met vrouwen heeft het hem in zijn leven nooit gemangeld), waarvan hij dacht, dat ze wel bereid zou zijn hem op die gevaarlijke missie te vergezellen. Maar, zo legde hij uit, ze moest eerst ergens een stoomcursus volgen in de edele kunst van het kantklossen. Ja, kantklossen. De Fransen dachten eerst, dat hij gek was, maar toen hij zijn inval nader verklaarde, beweerden ze, dat hij een genie was. En die inval was toch
146