Een tijdlang hebben we in onze familie zo'n krantje bewaard, min of meer als wettig en overtuigend bewijs dat het verhaal van de miljoenen geen verzinsel is, maar dat stukgelezen vod is bij een verhuizing zoekgeraakt en ik ken de tekst niet letterlijk uit het hoofd. Het is een verhaal vol openlijke en bedekte toespelingen op de erfenis en op de manier waarop die papieren bij mijn vader terecht zijn gekomen. We hebben er eigenlijk geen recht op, want grootmoeder Jans heeft indertijd die papieren niet gedeeld met haar broer en de kinderen van die broer hebben dus ook recht, zoek maar uit, maar één ding is zeker, wij zijn de inhalige familie en de lui van Vlooienburg zijn door ons bestolen, tenminste volgens dat krantje.
Zegt grootmoeder: 'Ten eerste kan ik niet lezen, ten tweede is alles wat erin staat klinklare leugen en ten derde maak ik me pas zenuwachtig als ze de waarheid over me vertellen.' Dat kan grootmoeder nu wel beweren, maar als moeder uit het krantje voorleest dat wij eigenlijk dieven zijn, die bij juffrouw Van Bever hebben ingebroken om op die manier de familie van Vlooienburg een rechtmatig aandeel in de erfenis te kunnen onthouden, wordt ze zo kwaad dat ze naar neef Simon en naar neef Gerrit wil gaan om daar de tafel om te keren en de schilderijen van de wand te slaan.
Zegt moeder: 'Nu begrijp ik waarom de mensen zeggen dat iemand kan liegen alsof het gedrukt staat.'
En in die lang niet serene atmosfeer komen 's avonds diezelfde neef Gerrit en neef Simon op visite. Grootmoeder zegt dat onze huiskamer lijkt op de spreekkamer van de busdokter ־. de een is niet goed aangekleed of de ander begint zich alvast uit te kleden. Neef Simon komt nog even over de erfenis spreken. Moeder vindt dat sommige mensen de betekenis van het woord fatsoen altijd verkeerd opvatten.
Ze beginnen met een lang verhaal. Thuis hebben ze met hun vrouwen slaande ruzie, want die houden vol dat ze recht hebben
164