Om kort te gaan, Betje is verschrikkelijk in de war. De mensen vertellen dat Appie met geld van onze erfenis een grote winkelhal gaat beginnen, waardoor hij de hele straathandel uit de steeg in zijn macht krijgt. Tegen zijn hal zal niemand kunnen concurreren en Betje zeker niet. Jonas gaat natuurlijk eerst bij Appie informeren of't waar is, maar die doet alsof hij nergens van weet, wat voor Jonas het beste bewijs is dat hij liegt. Als de barbier geen gelijk heeft, dan néémt hij gelijk. Wat kunnen vader, moeder en grootmoeder tegen zoveel eigengereidheid praten? Ze babbelen en babbelen, totdat vader met de oplossing komt: laten Appie en Betje vanavond bij ons drie hoog komen, dan zal vader proberen hun duidelijk te maken, wat Jonas niet wil geloven.
's Avonds na het eten komen die twee bij ons op visite, Betje een betrekkelijk jonge vrouw met donkerblond haar. Ze kijkt fris en pienter uit haar ogen. Appie is veel te groot voor ons kleine verdiepinkje met de lage zoldering. Ze zitten als vijanden tegenover elkaar. Vader zegt tegen Betje dat zij moet beginnen. Ze neemt een diepe duik in het verre verleden. Hoe ze trouwt en zeven maanden is haar kind op weg en dan valt haar man in het ruim. Dood. Jonas leent haar wat geld om een nerinkje in gekookte eieren te beginnen, ze heeft alles eerlijk terugbetaald. Het is een hard leven, overdag met de kar met handel en 's avonds thuis ploeteren. Haar kind is in een soort bewaarschool, wanneer ziet ze het jongetje eigenlijk? Maar toch is ze niet ontevreden als ze maar een kleinigheid kan blijven verdienen. Zegt ze: 'Als Appie probeert de eieren goedkoper te verkopen zal dat hém niet hinderen, want hij verdient genoeg met de andere negotie, maar elke cent die ik niet verdien, is een snee brood uit de mond van mijn kind.'
Kijkt grootmoeder nijdig naar Appie en zegt: 'Sommige mannen zijn geen mensen, maar verscheurende dieren. Als je eenmaal zo oud bent als ik, zal je merken datje al je jaren hebt verknoeid door achter iets aan te jagen, dat minderwaard is danniks.'
142