Daar zaten wij, aan de oevers van de Theems.
Wij: het handjevol Nederlanders, in Londen aangespoeld. Vijf lange jaren. Er scheen geen eind aan te kunnen komen.
Als ik aan die tijd terugdenk, zie ik als een symbool, één gebeurtenis. Uit de gevel van Stratton House, waar de Nederlandse regering zetelt, steekt het rood-wit-blauw.
Elke ochtend hijst een marechaussee de driekleur. Elke ochtend is het dundoek brandschoon, zo kraakhelder als in een advertentie van wasmiddelen. En elke avond, als de vlag wordt gestreken, is het wit goor geworden, het blauw heeft de mot, en het rood roest. Want de Londense mist maakt elke vlag tot modder, zelfs als je denkt dat het helder weer is. De schitterende kleuren van Nederlands vlag ’s avonds in het sop zetten - dat was een taak van eminent nationaal belang.
Wat ook gebeurde, elke dag van die vijf lange jaren, moest de dageraad een smetteloze driekleur vinden.
Om die schone vlag, aan de oevers van de Theems, daar zaten wij, en weenden als wij Nederland gedachten...