vlak aan het water $ wie het beste overweg kon met de halve Nelson en de heupzwaai, kon meestal zijn tentje wel vooraan opzetten. De bodem van de Zuiderzee ter plaatse was week, een blubberig soort modder, waarin je voeten wegzakten. We poedelden zo'n beetje. Moeilijkheden kwamen als je naar huis wilde gaan.Meestal waren je kousen gestolen. Of je schoenen. Dan ging je op roof uit naar net zo'n paar, als het kon in dezelfde maat. En als de zon onder was, pakte je de hele zwik weer bij elkaar, en sjouwde de lange weg naar huis. Je was een dag buiten geweest, heerlijk!
In het Amsterdam van mijn jonge jaren was je gauwer buiten dan tegenwoordig. Aan de zuidkant begon het boereleven al bij de Muiderpoort. Op de Amsteldijk, ongeveer waar nu de Tolstraat is, stond de Watertoren, daarachter strekte zich een wildernis van weilanden, bosjes en sloten uit. Als je met de Tolhuispont het ij overstak, lagen de uitgestrekte velden suikerbieten meteen voor je. Je wandelde op een dag heen en weer naar Alkmaar, op het Alkmaardermeer roeide je een uurtje in een gehuurd bootje. Of je kuierde naar het Gein (een kippen-eindje) of naar Muiderberg, en dan weer terug. Elke jeugd is onrustig, alle jonge mensen willen er uit, ver weg, ergens heen... Als ik tegenwoordig de stad en de jonge mensen bekijk met oude ogen, vraag ik me af: waar laten zij hun drang naar onbekende verten? Ik geloof, dat in miljoenen mensen in de hele wereld het heimwee knaagt naar 'de buurt'. Mijn eigen generatie heeft 'de buurt' nog gekend. Als ze eraan terugdenken, vinden ze een rustpunt in de mallemolen van het tegen
77