opwond. Geen lange visites van familie, geen gekibbel. In de kraamkamer moest volstrekte stilte in acht worden genomen.
Dat complot hebben ze veertien dagen kunnen volhouden. Geen van de wederzijdse ouders dorst over de besnijdenis te spreken. Waarschijnlijk keken ze dwars door het complot heen en begrepen ze, dat het gesprek nutteloos zou zijn. De ouders van Wolf en Mirjam spraken er nooit meer over. Hun eerste kleinzoon was hun lief, onbesneden en wel. Wolf snoefde een beetje té opvallend in de kring van kennissen en vrienden, dat hij nu metterdaad had bewezen, dat hij zich aan de greep van het ghetto had ontworsteld. Alleen... er was nog wel even een kleine strubbeling geweest toen de baby een naam moest hebben. Wolf's vader heette Samuel. De oude heer stond er op, dat zijn eerste kleinzoon naar hém zou worden genoemd. Dat was naar eer en traditie zijn onvervreemdbaar recht. 'Wie noemt zijn kind tegenwoordig nog Samuel?' hoonde Wolf.
'Dan noem je hem maar Simon. Als de naam maar met een S begint.' 'Simon? Nog erger.'
Maar ook nu weer wist Wolf zich aan de greep der traditie te ontwringen. In die dagen was de wereld zeer bekommerd om het lot van twee anarchisten, die in Amerika ter dood waren gebracht. Mensen, die beweerden, dat ze het precies konden weten, hielden vol, dat die twee mannen onschuldig waren. Wolf en Mirjam leefden met de strijd om het behoud van die twee mensenlevens intens mee. De ene heette Sacco, de andere Vanzetti.
192