Toen hij de lagere school verliet was de elektriciteit juist bezig populair te worden. Dat was midden in de eerste wereldoorlog. In het neutrale Nederland nijpte een dreigend tekort aan kolen. De regering probeerde snel en zeker de gasverlichting te doen vervangen door wat de mensen: het elektra, noemden. De gaskroontjes met de gloeikousjes verdwenen, de elektrische peertjes kwamen er voor in de plaats. Elektricien... dat scheen het vak van de toekomst te zullen worden. Wolf beweerde, dat die elektriciteit hem aantrok. Het was een geheimzinnige kracht, die door de beoefenaren van dat nieuwe beroep moest worden getemd. Het was ook een moeilijk beroep, je moest er voor studeren. Je had er hersens voor nodig. 'Ik word elektricien.'
Omdat de hoofdonderwijzer met de rapportboekjes in de hand zonneklaar kon bewijzen, dat Wolf aanleg had voor een studiekop, kreeg de jongen toegang tot de Electro Technische School aan de Stadstimmertuin. En, inderdaad, hij werd er spoedig een van de kwiekste leerlingen. In de theoretische vakken haalde hij niets dan tienen, en wanneer hij eens een slechte beurt maakte, werd het in elk geval een negen. Alleen, tja, in het praktische werk bleef het krukken. Die twee linkerhanden met die duimen wilden niet vergroeien tot normale ledematen. Dat was op zich zelf ook weer niet zo'n drama, want de docenten drongen er op aan, dat hij later naar Delft zou gaan. Op de een of andere manier viel er wel een mouw aan te passen, dat hij, zonder Staatsexamen, toch toegelaten zou worden tot de examens van de Technische Hogeschool. De leraren bespraken die zonnige toekomst met Wolf's ouders. Die
180