De greep van het ghetto
Toen Wolf met zijn stralend bruidje het stadhuis verliet, nam hij me even apart. Hij wilde me iets vragen, maar hij wist niet goed hoe hij het verzoek onder woorden moest brengen. Het was een beetje delicaat. Mirjam wachtte op een paar passen afstands; het kleurige zijden gevalletje, dat ze voor deze plechtigheid door een echte kostuumnaaister in elkander had laten prutsen, stond haar sch-a-a-a-attig. 'Mirjam weet er van,' zei Wolf en hij kleurde als een puber.
Nou, dat delicate verzoek kwam dan hierop neer: zou ik er bezwaar tegen hebben de eerste nacht van hun huwelijk in hun nieuwe huis door te brengen? Men heeft me wel eens een vreemder verzoek gedaan, dacht ik, maar ik weet niet meer wanneer. Toch, als je hem kende was die vraag van Wolf niet zo onredelijk.
Het was midden in december en bitter koud. De mussen vielen als blokjes ijs dood van de dakgoot. Maar sinds gisteren scheen er een aarzeling van dooi in de lucht te zitten. Het nieuwe huis van Wolf en Mirjam lag aan de rand van de stad. De paar mensen, die in dat jonge dorp woonden spotten, dat ze 's nachts wolven hadden gezien en overdag plakjes zendeling op hun brood aten. En overal was de waterleiding bevroren, niet alleen bij Wolf thuis. 'Als die waterleiding midden in de nacht springt... wat moet ik dan doen?'
178