wereld voorbij. En hij ondergaat een zoet gevoel van bevrijding.
Zijn moordenaars sleepten het lichaam, waarin eens Izak Nahum woonde, weg. Wat hebben ze er mee gedaan? Werd het in de gracht gesmeten als een kreng? Of is het begraven? Waar het lichaam ook moge vergaan, daar staat geen grafsteen. Maar in een andere werkelijkheid, die de ogen der mensen niet kunnen zien, rijst een gedenkteken ten hemel, hoog en heilig als een kolom van vuur in de nacht, en met duidelijke letter staat in die zerk gebeiteld: izak ben avrom ben izak nahum 'Ik ben mijn voorgeslacht.'
176