'Drink je thee leeg. Dat zal ook wel schaars worden, nu we in oorlog zijn.'
Dit zijn twee alleenspraken, dacht hij, twee rivieren, die onafhankelijk van elkaar stromen.
Hij zei, en hoorde zijn eigen woorden als de verkondiging van een vreemde waarheid:
'Voor ons joden in de verstrooiing is geen heldendood weggelegd. Wij willen ons leven geven, maar er is geen altaar om het neer te leggen, en daarom wordt onze offerande geweigerd.'
Hij worstelde met de woorden.
'Heroïsme, dat is het woord waar ik naar zocht. Heroïsme In de diaspora eindigt elk leven en elke strijd met een anticlimax.'
Die nacht sliep hij in het kleine keukentje. Op de grond. Hij had de knieën opgetrokken, het hoofd voorover gebogen.
Hij bleef bij haar. Op straat kwam hij niet meer. Als de mensen hem voor het venster zagen, bespotten ze hem. 'Daar heb je de man, die voorspeld heeft, dat de moffen nooit zouden winnen. Profeet, waar blijft de engelse vloot?'
Schuw zat hij in een hoekje, ver van het venster af. Met afwezige ogen keek hij in een onbestemde verte. Hij zag visioenen.
'Ik ben een oude man... Ik draag een gele kaftan met zwarte stippen. Op mijn hoofd schommelt een vreemde ronde hoed met bont. Ik loop door de straten van een klein stadje, een staedtele... iedereen is angstig, ik ook. Mannen met paarden en lange sabels. Ze slaan me. Ik val neer. Ze
173