'En jij dan?'
'Ik moet blijven.'
'Waarom?'
'Daarom. Mijn vader is uit de Banaat weggegaan omdat een grote stem hem leidde. Ik ben Izak, een modern man.' 'Ben je niet bang?' 'Vrees niet, want ik ben met u.'
In de maanden, die aan de onheilsdag van de tiende mei 1940 vooraf gingen werd hij vaker dan ooit door het gezicht van Het Vreemde Huis bezocht. Het was alsof het beklemmende slot van de droom steeds duidelijker werd, steeds meer de werkelijkheid naderde: Ik moet Het Vreemde Huis zijn binnengegaan, want opeens sta ik op een overloop. Er is een man, die heftige armbewegingen maakt. Naast mij, één hoog is opeens dezelfde man verschenen. Ik zie hem nu tweemaal. Het is een vijand. Nu weet ik dat zeker. Het is de vijand. Het gevoel van angst dreigt en lokt.
Het Vreemde Huis is vol van die zelfde man. Het is vol van de vijand. Opeens zijn er slechts twee mannen over. Hij en ik. Monden bewegen, maar ik hoor niets. Het is een Huis der Stilte. Het is een Huis der Beklemming... De man van twee hoog stort naar beneden. Hij geeft de man één hoog een duw. Nu rolt een lichaam de eerste trap af. Ik ken dat lichaamtoch... Wie is het ? Beneden in de trapopening ligt het lichaam van de man, die gevallen is. De man is dood, dat weet ik zeker. In mij schreeuwt een vraag: Wie is die man... Ik ken hem toch ?' In mijn lichaam voel ik een zoete bevrijding, wanneer ik met een schok ontwaak.
166