Hij dacht: 'Uit deze wereld ben ik geboren... maar ik weiger er weer in terecht te komen, ik wil niet.' Met het moedwillige gevoel van een straatjongen, die uit pure baldadigheid ruiten ingooit, vertelde hij de onthutste rechtvaardigen, dat ze al twee duizend jaar op een dwaalweg ronddoolden. Zonder enig bewijs voor het overige, beweerde hij, dat niet Christus aan het kruis was gestorven, maar een onbekende arme drommel, die door de volgelingen was omgekocht en gepaaid met de belofte, dat de kruisiging toch niet zou doorgaan, omdat op het laatste ogenblik gratie zou afkomen. Maar de stakker, in de steek gelaten, stierf als een verlatene. De ware Christus echter zou langs de Kruisweg hebben bestaan. Hij noemde zich Ahasverus.
In de Rapenburgerstraat gebruikte men minder draaiommetjes dan in de bijeenkomst der christelijke broeders. Met een mondeling certificaat van zwakzinnigheid werd hij enigszins hardhandig buiten de deur gezet. Op straat dacht hij: 'Dit is het ongeluk, waarvan ik gedroomd heb.' Van haar benefactors hoorde Vranja spoedig het nieuws van Izak's uitstoting. Zij legden haar omstandig uit dat haar zoon voortaan voor hen een uitgeworpene zou zijn. Daarna gingen de buurvrouwen het inmiddels verminkte verhaal uitvoerig rondbazuinen. De overgang van Izak tot een ander geloof kon niet ver meer zijn. Omdat elke emotie vroeg of laat bij Vranja uitmondde in overwegingen van zeer praktische aard, gaf ze vertwijfeld te kennen, dat de jongen zijn toekomst had vergooid. Een buurvrouw vroeg:
'Had u hem dan voor rabbijn willen laten leren?'
148