moeilijk begrijpen. Al woonde ze sinds jaren op de Houtgracht, Vranja leefde eigenlijk in de Banaat. Ze kende iedereen in Mokum Aleph, die uit die verre grensprovincie naar het Westen was komen afzakken. Bij hen voelde ze zich op haar gemak; de onder- en boventonen van hun wonderlijk mengelmoes van roemeens, hongaars en middelduits begreep ze. Bovendien waren die mensen vrijgevig. De mensen in de Banaat hadden in eeuwen van vervolging een ethische gedragslijn verworven: 'Alles wat men een landsman geeft - zal men zelf nooit tekort komen.' Van deze ethiek maakte Vranja op gepaste wijze misbruik. Tussen haar en de mensen uit de Banaat bestond een symbiose. Ze bedelde, weliswaar niet langs de publieke weg, maar wel zeer openlijk en in elk geval zeer energiek. Ze liep met punctuele regelmaat haar vaste klantjes af, die, even regelmatig, blij waren een werk van liefdadigheid te verrichten, dat immers welgevallig is in het oog van de Enige. Van haar benefactors duldde ze elke gril en elke flauwe grap. Haar stelregel was: 'Geld regeert de wereld.'
Ze maakte van deze opvatting geen geheim, ook niet wanneer ze met haar buren sprak. Al woonden op de Houtgracht straat-arme mensen, de buurvrouwen waren niet geneigd met Vranja's kijk op de betekenis van het geld in te stemmen, althans niet openlijk. Voor die buren was de eerste leefregel: men moet zijn stand op houden. Al vallen de muizen dood van de honger voor de broodtrommel, armoede is een strikt particuliere aangelegenheid. Trouwens ook andere dingen hielden de buren angstvallig voor het oog van de wereld verborgen. Bijvoorbeeld als een
131