lucht? Onder de golven van het heden is de wereld stil en glanzend, er glijden kleurige visjes voorbij, waar heb ik die eerder gezien ?, maar als je ze wilt grijpen, zijn ze al buiten het bereik van je grove handen. Is er dan van die wereld van vroeger niets meer over dan de zee der herinnering ? Ik geloof, dat we in het geheugen van onze lichaamscellen meer meedragen dan we zelf weten. Dat weet ik, nu ik dit hoofdstukje over de Vissteeg heb geschreven. Ik ben ermee begonnen, zonder dat ik wist hoe het zou worden, zo maar van de hak op de tak pratend, en terwijl ik schreef, kreeg het een eigen leven. Het groeide onder mijn handen uit. Nu ik het nog eens heb overgelezen, geloof ik, dat ik iets heb willen vertellen, dat als een andere werkelijkheid onder dit verhaal verborgen ligt.
Dit: de sterkste herinnering aan de wereld van mijn jonge jaren is de geur van zout.
Ik geloof dat het aroma van zout karakteristiek is voor elke volwassen havenstad, die niet te ver van zee ligt, maar in de geur van Amsterdam mengde zich een element, dat geen naam heeft, maar door iedereen wordt herkend, die het in zijn jeugd proefde op zijn lippen. Het is een zoute smaak, enig in zijn soort, die verlangen oproept om te reizen en te trekken, om de hele wereld te zien, de witte stranden met de wuivende palmen en de blauwe zee, die in witte brekers op de rotsen in stukken slaat. Wie dat Amsterdam heeft geproefd, lijfelijk geproefd op het puntje van zijn tong, kent geen rust meer. Hij wil eruit. Ik geloof, dat ik nog nooit zo door-endoor Amsterdams ben geweest dan elke keer als ik de stad verliet op zoek naar de vluchtende horizon.
124