kalender. Moeder en grootmoeder moeten in het nauwe doorloopje alles beredderen. De kinderen lopen af en aan; ze ruiken, dat er iets te snoepen valt. Een papiertje van het gehakt, waar nog lelletjes vlees aan kleven. Of het restant van beslag in de grote kom. Zegt moeder:
'Die kinderen van mij... ze hebben gewoon een hondeneus.' Grootmoeder herhaalt voor de zoveelste keer met grote stelligheid, dat de pieteroliestellen haar de dood aandoen. God-behoed-en-beware, dat een van de gezegende kinderen zo'n brandend ding ondersteboven loopt, gezond zullen ze blijven, maar een mens is als ouder toch niet verantwoord, wanneer hij een zo duidelijk levensgevaar voor zijn nakomelingen ongemoeid laat voortbestaan. Die woorden geven de doorslag. De stellen emigreren naar de voorkamer, waar ze op de grond onder het half opgeschoven raam ongevaarlijk verder pieteren. Vóór die verhuizing worden de pitjes echter secuur heel laag gedraaid, nog lager dan gewoonlijk. Ook dat is een handeling die in een goed religieus kookboek wordt verordineerd. Pas daarna worden ze uitgeblazen. Een petroliestel bezit namelijk een sterke persoonlijkheid, en elk stel is anders. Een degelijke huisvrouw kent haar stellen, zoals haar bloedeigen man en de gezegende kinderen haar vertrouwd zijn. Als de pitjes door onbevoegde en dus onbekwame handen zo laag worden gedraaid, dat ze vanzelf uitgaan, stinkt het hele huis nog uren later naar de walm. Men kent de slordige huisvrouw aan haar walm. En alsof dat nog niet erg genoeg is, de lucht kan op het kostelijke eten slaan. Houdt uw pitjes dus niet te laag. Maar pas op! Wanneer ze te hoog branden, voordatje ze uitblaast, zie je een roetwolk opstijgen naar hogere dreven. De oliepitten zijn zo wispelturig als huismoeders in hun moeilijke dagen.
19