ER GROEIT GRAS IN DE WEESPERSTRA AT
De Weesperstraat heeft op mij altijd een komieke indruk gemaakt. Ik weet precies hoe dat komt. Ik zal een jongetje van een jaar of tien zijn geweest, toen bij ons thuis werd voorgelezen uit een bundel schetsjes van Brammetje Reens. 'Ghetto Gijntjes' heette het boekje. Brammetje had toen reeds faam verworven. Ten bate van zijn medemensen voerde hij een gewelddadige actie tegen de Inkomstenbelasting. Hij deed verkopingen mislukken. Hij wekte in woord en geschrift zijn volgelingen op zich te laten royeren als begunstiger van de schatkist. Hij trotseerde gevangenisstraf. Verder ging hij zich aan literatuur te buiten. Zijn 'Ghetto Gijntjes' was mijn eerste aanraking met de meer profane Joodse schone letteren. In dat boekje werd een verhaal verteld van een familie uit de Joden Houttuinen, die op reis moet naar Utrecht. Ze sjokken naar het Centraal Station. Na tien minuten rijden stopt de trein. Weesperpoortstation. Weten zij veel, dat ze nog steeds in Mokum zijn. Het wordt hun trouwens moeilijk gemaakt zich te herinneren, dat Amsterdam meer dan één station rijk is. Want de conducteur, die langs de trein loopt roept: ' Utrecht... Utrecht
Wat had hij dan moeten roepen? Misschien: Weesperpoort? Onzin, de trein ging toch naar Utrecht! Maar de mensen uit de Houttuinen zijn helemaal owelewotel. Zeggen ze:
'Zijn we nou al in Oetert? Aardig snel.'
201