Peinsde ik hardop:
'Dat hebben we destijds bij ons thuis nooit geweten. We wisten alleen dat raaf Dünner een hekel had aan alle socialen.' De rabbijnen, ondanks hun baardige zelfverzekerde indrukwekkendheid, wisten zelf ook geen ijtse, geen raad. Sommigen hunner waren nog steeds tegenstanders van het Herzliaanse Zionisme. Als ze zich in politicis met het liberalisme afgooiden, deden ze dat waarachtig niet uit begeerte naar macht, uit honger naar invloed, of nog erger, uit dorst naar geld. Rabbijn doctor Meyer de Hond was de rabbijn van het proletariaat, maar een verwoede en venijnige vijand van het socialisme was hij tegelijkertijd. Hij kon zich een Messiaanse heilsverwachting slechts voorstellen in verbinding met de godsdienst. Een verlosser op maatschappelijk terrein? Een vis, die mesjogge is en die over de daken zwemt.
Wat moesten de arbeiders doen? De voornaam van Brammetje Kuyper, ja die kon er nog mee door, maar verder was deze staatsman in de buurt beslist persona non grata. Had Jossie Pots dan misschien lid van de katholieke partij moeten worden? Mooi idee: had hij de hele dag met de hand voor zijn neus moeten lopen! Het was gewoon een aftelsom; over blijven de liberalen en de socialen. Niet dokter Vos of Bram Asscher, dus wél Henri Polak en Pieter Jelles. Ie-wie-waai-weg. Het Joodse geloof is ondogmatisch; de rabbijn moet nog geboren worden, die één mens de weg naar God kan blokkeren. Mijn vader en moeder stuurden me dus lekker toch naar het Joodse schooltje van Norden op de Keizersgracht. 'Als je eenmaal groot bent, moetje zelf maar beslissen watje wilt worden, rood of vroom.' God was neutraal.
179