De twee theoretici uit onze klas hebben alle theorieën tijdelijk op stal gezet. Ze wikken in een wijde kring gewichtig de kansen van de staking.
'Mijn broer zegt, dat Hertzberger het geen veertien dagen volhoudt.'
Het loopt tegen negenen. Zo dadelijk gaan overal in de buurt de schooldeuren open. Er trekken heel wat jongens stilletjes tussenuit; die willen niet te laat bij de meester komen. Maar heel veel jongens hebben glorieus lak aan de schoolbel. Ze gaan spekken vandaag. Zij blijven voor het politiebureau. Joelen! Jennen! Zuigen!
De onderkruipers komen in een rijtje achter elkander uit het bureau. Jongens en volwassenen, iedereen telt hardop in een geïmproviseerd spreekkoor, hoeveel maffers zich vandaag aan het kapitalisme gaan verkopen. Eén, twee, drie... we komen tot elf, gisteren waren het dertien. Hoera, er zijn twee werkwilligen tot de solidaire arbeidersklasse teruggekeerd. Hoera! Een optochtje loopt door de Lazarussteeg, van de Breestraat nadert een tweede kleine groep. De twee optochtjes verenigen zich tot een gezelschap van een man of dertig, zwaar geëscorteerd. Het lijkt wel, of de hele politiemacht van Amsterdam niets anders te doen heeft dan onderkruipers beveiligen. De werkwillige meisjes lopen met lood in hun schoenen, knikkende knieën en hangende hoofden door de Rapenburgerstraat langs school tien. Zo dadelijk zullen ze linksaf slaan om via het Rapenburg naar de fabriek te sloffen. Hoofdonderwijzer Mol zit voor het raam van zijn kamertje. Hij ziet de staart van jongens, die de komeet met het vele koper volgt. Vast en zeker heeft hij ons herkend. Maar ons heeft de geestdrift te pakken. Wij zien niet Meester Mol, nee, Pieter
144