'En de Internationale zal morgen heersen op aard.'
'Ik loop al een eeuwigheid naar je te zoeken,' zei Pieterjan Derksen tegen me, toen hij me in de gang van 'Tivoli' staande hield.
'Nou, een hele eeuwigheid al? Bij wijze van spreken dan toch altijd.'
'Vijf minuten heb ik zeker naar je gezocht. Hier, ik heb wat voor je meegebracht. Ik dacht, op het congres zal ik je wel zien. Dat spaart een smak geld voor postzegels.' Hij overhandigde me een bundeltje papieren. Ik woog het op de hand.
'Een goed half ons papier is het zeker. Wat is het? Nee, wacht even met je antwoord. Vertel me asjeblieft niet, datje een boek hebt geschreven en datje de illusie hebt dat ik een uitgever voor je in voorraad heb.'
Pieterjan grijnsde vergenoegd.
'Zulke afwijkingen heb ik niet. Ik ben volkomen normaal. Het is een pakje brieven van een van onze Fakkeldragers. Een gewezen lid van mijn club. Hij zit nou in Australië. Geëmigreerd. Was altijd een prima partijgenoot. Sloeg nooit een vergadering over. Altijd nummertje één in de discussie. Zo een knaap, waar je wat van opsteekt. Niet omdat hij zo geleerd is, maar wel omdat hij over de dingen nadenkt.'
'En nou heeft hij natuurlijk uit Australië brieven geschreven,' zei ik, 'want al zit hij duizenden kilometers ver weg, hij kan het niet laten zich met die club van jullie af te geven. Bemoeial op lange afstand; de hele wereld zit stikvol van zulke ongenode beredderaars. Als het aan hem lag, kwam hij elke week een keertje met de K.L.M. over om de bijeenkomst van de club bij te wonen. En dan 's avonds met het laatste straalvliegtuig weer terug naar Australië, omdat hij de volgende ochtend weer vroeg op zijn werk moet zijn.'
Pieterjan keek me glunder aan.
177