Gedurende een paar minuten was het kamphuis in Vierhouten het middelpunt van een wereld. Het leven ging verder. Gedachten en gevoelens van jonge mensen lagen in grote kringen rondom de heuvel De wijdste van die kringen reikte ver over de horizon, duizenden mijlen ver.
's Avonds trokken de stoeten naar de heuveltoppen in de verte; ook dat was traditie. Later ging de vuurpijl omhoog. De jonge mensen ontstaken de fakkels. Alsof er nooit oorlog, bezetting en bevrijding was geweest, groefde grote rivier zijn lichtend spoor over de donkere hei. Maar voordat de stroom zich boog naar het grote vuur op de speelweide, trok hij langs de Pinkstcrklok, die luidde, en luidde, en luidde, en luidde.
Ernstige gezichten schoven voorbij in het flakkerende licht der toortsen. Maar geen tranen. Geen weemoed op de Paasheuvel. Geen onmachtige droefheid. Elke jeugd vindt in zichzelf de overmoed, waarmee ze de toekomst bestormt.
'For whom the bell tolls', dacht ik en onmiddellijk daarop corrigeerde ik mezelf: 'De Pinksterklok luidt niet voor de doden, ze roept de levenden.'
Thuis gekomen de volgende dag, sloeg ik Hemingway's boek op en ik herlas de laatste gedachten van Robert Jordan, voor wie de klok luidde: 'Ik heb nu een jaar lang gevochten voor datgene, waarin ik geloofde. Als wc het hier winnen, winnen we het overal.'
174