'Voor 't donker bos, aan de wijde hei, Machtig beschermd en toch eindloos vrij, Tussen de rust en het naaldgeruis, Rijst onze woning, ons makkerhuis.'
Geen levende gemeenschap van mensen kan het stellen zonder een eigen mythe. De mythe van de A.J.C. werd het jaarlijks terugkerend Pinkersfeest.
Zo'n Pinksterfeest werd een wonderlijke mengeling van rechtzinnige ernst, fijnzinnige kunst en uitzinnige zelfspot. Voor de rechtzinnigheid zorgden de geleerde sprekers, die 's morgens in het openluchttheater mochten vertellen welke grote verantwoordelijkheid in het komende jaar op aller schouders zou gaan drukken; Ben en zijn lekespelers namen de kunst voor hun rekening en verder zorgde iedereen, dat de spot niets te kort kwam.
Er kwamen gasten, niet alleen uit de socialistische beweging. De A.J.C. werd een voorbeeld voor jeugdwerk van velerlei oorsprong en gezindte.
Officieel begon het Pinksterfeest laat in de Zaterdagmiddag. Maar 's morgens waren de Heren Zeventien van partij, vakbeweging en aanverwante filialen, er al. Op een terrasje staarden ze ernstig in hun kleintjes koffie. Daarna wandelden ze rustigjes en critisch over de terreinen.
'Kijk, daar hebben ze warempel een zwembadje gebouwd... leuk.'
Dan zei een penningmeester met solide stem: 'Kost een smak centen... zoveel geld voor zo'n klein beetje water.'
'Hier is de Heijmanshof. Daar leert Henk de jongens van de natuur en dergelijk spul,' zei de gids.
'Zo'n park moet een vermogen kosten,' zei de penningmeester weer. Hij kon nu eenmaal niet anders dan in guldens denken.
Maar in zijn hart vond die goeiige krentenweger alles even prachtig.
Wat drommel, hoe beroerd had hij het in zijn eigen jeugd niet gehad en als die jongens en meisjes nou 's kaas met hompen sneden, laat ze gaan, het is hun van harte gegund.
165