'des werkers lust, des werkers leven'
Zijn naam doet er niet toe, tenminste hier niet. En de naam van de gemeente, waar hij zijn werk begon is ook verzonnen, want u zult Goeie-gemeente vergeefs op de kaart van Zuid Holland zoeken.
Hij is een lid van het omvangrijke personeel van De Centrale; en hij heeft pleizier in zijn werk. Zijn maatschappij is zijn derde grote liefde. De eerste is zijn vrouw, de tweede zijn negen kinderen en dan komt De Centrale.
In zijn doodeenvoudigheid is hij het zinnebeeld van al die mensen, die op enigerlei wijze De Centrale hebben groot gemaakt. Daarom verdient zijn verhaal een plaats in dit boek.
Och, al is het aantal mensen, dat vreugde in de dagelijkse arbeid vindt, tegenwoordig gelukkig niet meer zo klein als vijftig jaar geleden, en al vindt men dezulken overal in het bedrijfsleven - ze zijn toch weer net zeldzaam genoeg om ze even aandachtiger te bekijken, wanneer je er eentje tegenkomt.
Maar waarom zou ik van zijn leven en werk vertellen?
Laat hij dat zelf doen; op zijn eigen manier.
'In Gorcum ben ik op school gegaan, laat 's kijken, ben ik er nou van afgegaan op mijn elfde of op mijn twaalfde jaar? Nee, dat moet op mijn elfde zijn geweest. Ik ben watje noemt ongelukkig jarig, daardoor ben ik op mijn vijfde op school gekomen. Nee, ik geloof toch niet, dat ik de volle zeven jaar op school ben geweest. Nou goed dan, toen ik er op mijn elfde vanaf kwam, moesten mijn ouwe lui de vraag beantwoorden, wat ik moest gaan doen. Ik zou liegen als ik zei, dat ze het precies wisten. Traditie voor een bepaald beroep bestond er in onze familie niet.
Mijn grootvader was visser geweest, riviervisser dan altijd. Hij ging op de zalm, die zat toen nog dik in de rivier. Als ik mijn ogen dicht
141