eigen gebouw was tjokvol. Nu merkte je pas hoe waardevol zo'n gebouw was. Vlaggen langs de muren. Vaandels op het toneel. Hendrik had dat moeten regelen. Als lid van de commissie voor de meubilering.
In etenstijd kwam de voorzitter bij Hendrik aan huis.
'Zeg, Negentienvier,' zei hij, 'jij hebt toch dat portret van jou en Bebel. Kunnen we dat lenen, voor één avond. We willen een groot portret van Bebel op het toneel zetten, en dat van jou er naast. Rode bloemen er om heen en zo.'
'Hier heb je het,' zei Hendrik en hij voelde een brok in zijn keel komen.
Op het podium stonden de beide portretten. Het grote, dat iedereen kende. Het kleine; je moest er eigenlijk vlak bij gaan staan om te zien wat het voorstelde. De rode bloemen lagen er om heen. De vlag van de afdeling was met zwarte crêpe omfloerst.
Toen de vergadering begon, herdacht de voorzitter de gestorven voorganger. De aanwezigen stonden op en zongen: 'O strijders, die uw liefde en leven Uw kracht, uw geest en heldenmoed Aan heel de mensheid hebt gegeven Wij brengen u een broedergroet.'
En niemand vond het vreemd, dat Hendrik Johannes Jacob Cor-nelissen, de tweede secretaris van de afdeling, de tranen over de wangen biggelden.
Toen ze 's avonds laat naar huis liepen, zei Hendrik aarzelend tegen zijn vrouw: 'Je mag er nooit met iemand over spreken, maar toen ze 'Aan de strijders' zongen had ik een ogenblik het vreemde gevoel, dat August Bebel naast me stond... en hij legde zijn hand op mijn schouder.. . en hij zei alleen maar: Genosse... Gek zoiets, eigenlijk.'
'Ja,' zei zijn vrouw, 'gek zoiets.'
137