'En die stroom rijst al meer en meer...'
Mensen van allerlei slag telde de afdeling van de S.D.A.P. in de provincie-stad.
Een van hen was Hendrik Johannes Jacob Cornelissen. 's Morgens voor dag en dauw ging hij op het pad om zijn medeproletaren versgebakken brood te bezorgen, dat meelslaven in nachtelijke uren hadden gebakken. Hij vervulde twee betrekkingen, zonder dat iemand hem ooit cumulatie van functies verweet.
Hendrik was een man met een kleine voorraad uitdrukkingen. Er waren echter enkele bij, die opvielen door de oorspronkelijkheid van hun beperkte kijk. Toen hij op een ochtend na een hevige sneeuwval om zes uur slaperig cn kleumend aan de bakkerij kwam, zei hij: 'Wij arbeiders zijn nog minder in tel dan de sneeuw. ' Wij moeten om vijf uur ons nest uit, maar de sneeuw kan blijven liggen.'
Wanneer hij zijn klasse-genoten hun vers ontbijt had gebracht, begon zijn tweede taak: contributie innen voor een vakvereniging.
Als hij, hoogst zelden, in de huishoudelijke vergadering de vinger opstak, decreteerde de voorzitter: 'Het woord is aan Negentienvier.'
In de afdeling kende iedereen hem als: Negentienvier.
Die bijnaam dankte hij aan het congres van de Tweede Socialistische Internationale, dat in het jaar 1904 in Amsterdam heeft plaats gevonden.
Hendrik Johannes Jacob Cornelissen had een oorspronkelijke kijk op dat congres ontwikkeld. Het befaamde debat tussen Bebel en Jaurès en de loodzware resoluties lapte hij op souvereine wijze aan zijn laars. Maar belangrijk was het congres wél. Reken maar!
'In 1904 heb ik August Bebel de stad laten zien, en toen heeft de grote voorman bij mij thuis een kop koffie gedronken en een boterhammetje gegeten. En toen hebben we een portret laten maken. Ik en Bebel.'
121