'Lien... verroest die boodschap komt van Lien', riep Dirk plotseling opgetogen, 'ik snap het nu helemaal. Die Zweed is bij Lien terecht gekomen, die voor mei 1940 bij de omroep werkte, op het archief. U heeft mij die avond van de verduisteringsoefening met haar gezien.'
'Een knap meisje', zei de Kreeft plagerig.
'Hiep-hiep-hoera', riep Dirk, 'die boodschap betekent, dat Lien weet, dat ik in Londen zit, en dan weten mijn vader en moeder het ook. Nou geef die boodschap van de Weesperzij maar gerust door aan de Zweed. En laat hij verder maar vragen of de... tja, hoe zal ik het zeggen, of de naaikrans van Lijsje Lorresnor nog wel eens bij mekaar komt.'
'De naaikrans van Lijsje Lorresnor?' vroeg de Kreeft, 'wat is dat nou weer?'
Dirk gaf een omstandig relaas van de club. De Kreeft bleek er al heel wat van te weten, trouwens veel had Dirk hem destijds verteld, en voor de rest kende de Kreeft immers Willem Noteboom. 'Zie zo', zei de Kreeft, 'dat varkentje kunnen we dus verder wassen. Denk er om, mondje dicht.'
'Ik zal het wel uit mijn lijf laten er met iemand over te spreken', beloofde Dirk, 'maar als dat contact met de club of alleen met Lien is gelegd, wat bent u dan van plan te doen?'
'Beste jongen, ik zal je de rest ook vertellen. Maar nogmaals: mondje dicht. Als je praat, ga je de gevangenis in, zo luidt hier in Engeland de wet op de officiële geheimen, zoals dat heet.' Er had zich (vertelde de Kreeft weer) een maand geleden een Nederlandse zeeman aangemeld, een zekere Janus Droesem. Die zei, dat hij naar Nederland wilde gaan om daar voor de regering karweitjes op te knappen. Het plan zat heel goed in elkaar. Er was voor de Britse kust een Noors schip vergaan of getorpedeerd, en de sloep er van was op het strand gevonden. Later waren lijken van zeelui aangespoeld. Janus Droesem zou worden gekleed in de kleren van één van die verdronken Noren. Hij zou met een snelle motorboot naar Nederland worden gebracht. Een mijl of drie uit de kust, zouden ze die sloep over boord zetten en Janus zou naar de kust roeien. Werd hij onderweg door een Duits schip aangehouden dan zou hij zeggen, dat hij van dat vergane Noorse schip afkomstig was. Lukte het hem aan de kant te komen, dat hoopte hij bij het eilandje Rozenburg, vlak bij Rotterdam aan wal te kunnen stappen. Dat eilandje kende hij als zijn binnenzak. Achter de sloep hing aan een kabel en in een waterdichte bus opgesloten, een klein radiozendertje met een geheime code. Als Janus eenmaal contact zou hebben opgenomen met betrouw-
131