gelegenheid genoeg zijn om muzikanten te zien. We drentelen verder en we gaan eventjes kijken naar een tentje van de Arbeiderspers, waar ze ons intekenbiljetten onder de neus houden voor een boek ״Hier is de V.A.R.A.", dat in October gaat verschijnen en de man, die ons zo'n boek wil aansmeren, vertelt ons, dat de inhoud aardig is... maar hoe kan hij dat nou weten, als ik weet, dat het nog niet eens gedrukt is, omdat het hoofdstuk over het Familiefeest nog geschreven moet worden. En terwijl ik die colporteur van dat boekje zo'n beetje zachtjes sta te treiteren, krijg ik opeens een stevige klap op mijn schouder en een stem zegt:
„Verhip Karei... leef jij nog?"
„Nee", zeg ik, „ik ben al lang dood, maar vertel het aan niemand, want ik houd het nog geheim"
... en daarna kijk ik pas, wie het is.
En laat het nou Jopie zijn, met zijn vrouw en twee kinderen, en de voorzitter van de V.A.R.A.-afdeling uit de rimboe achter Zwolle is er ook bij, en die heeft zijn dochter bij zich. Ik heb die dochter in geen jaren gezien; Doortje heet dat kind en vroeger zei ze altijd: „Ome Karei... ga nou eens een mooi ,haaltje' vertellen..." Het kind zei altijd: „haaltje", omdat „verhaaltje" veel te moeilijk is, maar ze zal haar ome Karei tegenwoordig niet vragen om haar een verhaaltje te vertellen. Die Doortje heeft wel betere in haar kladboekje staan dan ome Karei. Als ze een prijs uitloven voor schoonheidskoningin, dan wordt zij „Miss Familiefeest", daar wil ik mijn weekloon onder verwedden, en als ik in de jury zit, dan krijgt ze er nog een ereprijs bij ook. Niet dat ze een film-schoonheid is, maar ze heeft iets liefs en dat vind ik belangrijker dan schoonheid. Terwijl ik haar zo aandachtig sta te bekijken, begint haar vader een lange gramofoonplaat af te draaien over zijn afdeling, want ten slotte ben ik een van de oprichters, dus ik ben erg benieuwd. Daartussen door vertelt Jopie me hoe het met zijn werk gaat, best zegt hij, en daar weer tussen door vertelt Jopie's vrouw aan Kee, dat de kinderen zo groot worden en is Jan nog steeds niet getrouwd, 't is je toch wat, die jongen loopt al naar de dertig. Ik denk bij mezelf:
„Als Jan dat gekwebbel hoort, wordt hij kwaad" en ik draai me om
192