III
CORNELIS PIETERSZOON HOOFT
DE BURGERZIN
E vader was haringkoopman en had zijn magazijn en woonhuis op den Nieuwendijk, bracht het tot burgemeester van Amsterdam en is tegenwoordig bij de historici bekend; de zoon werd de beroemde drost van Muiden, zijn naam kent iedereen en naar hem noemde de hoofdstad een brede straat. Maar beiden hebben het geestelijk leven van hun tijd verdiept, bronnen gegraven, waaruit de weldadige stromen der beschaving rijkelijk vloeiden over de Hollandse velden, beiden lieten het volk van Amsterdam rijke schatten, die onvergankelijk zijn.
De beeltenis van den zoon is duizenden vertrouwd, zo zichtbaar voor het menselijk oog van de vele gravures en schilderijen, als voor de verbeelding, die den dichter ziet, omgeven door den beroemden Muider kring. Maar de beeltenis van den vader, den ouden Cornelis Pieterszoon.... ge staat in het Rijksmuseum voor diens conterfeitsel en ge zegt: dien man ken ik! Waar heb ik dien meer ontmoet ? Dat gezicht is mij vertrouwd, er hangt om deze gestalte een sfeer, die de mijne is; deze man zou, lang geleden, eens mijn vriend geweest kunnen zijn. Vreemd is dat; hij is immers al driehonderd jaar dood!
Gij vergist u inderdaad niet, bezoeker van het Rijksmuseum, gij kent dezen ouden Cornelis Pieterszoon zeer goed, al hebt ge hem in levenden lijve nimmer ontmoet. En ge kent zéker zijn gelaat: er is iets in dit gezicht van den groten Zwijger, en iets
D