Dr. WILLEM DE VLUGT 354
zou komen. Burgemeester De Vlugt heeft ons, toen de beslissing reeds lang gevallen was, eens medegedeeld: ״Zeer sterk kreeg ik toen den indruk, dat de Regering overwoog om, bij een eventuele weigering van Amsterdam om deze zaak tot een oplossing te brengen, voor Hare Majesteit de Koningin een nieuw Paleis
te____ Den Haag te bouwen. Uit de Grondwet zouden dan
hoogstwaarschijnlijk ook verdwenen zijn de woorden, dat de Koning of Koningin in Amsterdam ingehuldigd wordt, met andere woorden.... Amsterdam zou niet langer hoofdstad van Nederland zijn, doch deze eretitel aan de Residentie moeten afstaan."
Grote belangen stonden op het spel, waarvan de burgerij niets geweten heeft.
Er werd geconfereerd en nog eens geconfereerd. Burgemeester De Vlugt liet niet los. Maar toen op 19 December 1935 —juist op den verjaardag van den Burgemeester — de Gemeenteraad bijeenkwam om een beslissing te nemen over de voordracht van Burgemeester en Wethouders om het Paleis op den Dam aan het Rijk af te staan en van het Rijk tien millioen gulden te aanvaarden als bijdrage in de kosten voor den bouw van een nieuw Raadhuis, toen was er een feeststemming in den Raad — met algemene stemmen werd de voordracht aangenomen. De positie van Amsterdam als hoofdstad was geconsolideerd. Na de Wethouders was thans ook de Raad overtuigd van het juist inzicht van den Burgemeester; onomwonden bracht men hem zijn hulde. Prof. Woltjer zeide:
״Het is de Voorzitter van het College geweest, die de Regering
alsnog heeft weten te overtuigen van de noodzakelijkheid om
haar aanvankelijke toezegging gestand te doen."
Hij sprak er niet van, dat de Voorzitter van het College allen
tot zijn overtuiging had bekeerd, alhoewel hij dit ongetwijfeld
bedoelde.
Namens de Wethouders wenste Wethouder De Miranda den