J. W. C. TELLEGEN 275
,,Hangt aan de wand van 't Koor dien Burgemeestersrok,
Dien tabberd, wijd van baat en staatszucht afgescheien;
Dien Deeglijkheid hem ging zoo onbesproken breien;
Hier aan heeft Eigenbaat niet d'allerminste vlok."
zo schreef het ,,Algemeen Handelsblad" den dichter na in het artikel, dat aan het verscheiden van burgemeester Tellegen gewijd was.
Zijn uitvaart werd tot een manifestatie van de liefde, die Amsterdam den man, die in zeer moeilijke jaren aan het hoofd der gemeente had gestaan, toedroeg. Duizenden waren op de been om den scheidenden burgervader de laatste eer te bewijzen. Aan de groeve op de begraafplaats Westerveld sprak de waarnemend burgemeester F. M. Wibaut een rede uit, die, naar later zou worden getuigd, een der schoonste was aan een graf gesproken. ,,Zes jaar heeft burgemeester Teilegen de gemeente „gediend. Zes jaar onder omstandigheden moeilijker dan ooit," aldus begon de rede en de spreker vervolgde: „Hij aanvaardde „het burgemeesterschap in Maart 1915. Het was toen een tijd-„perk van oorlog, dat voor Nederland later als het nog zeer „rustige zou worden aangewezen. Maar voor de gemeente, die „toen nog zelfstandig de levensmiddelenvoorziening der stad „had te bewaken en te verzorgen, was dit betrekkelijk rustige „tijdperk van buitengemeen belang. De uitvoering van de distri-„butiewet, in September 1916, kwam bij den burgemeester. Zij „stelde zware eisen aan het hoofd der gemeente. „Het was zijn zorg van den morgen tot den avond, ook van den „avond tot den morgen, dat alles zou gebeuren wat het leven van „de Amsterdamse burgerij zo dragelijk zou maken als de omstandigheden buiten onzen wil maar mogelijk maakten. In de „jaren 1916 en 1917 werden de moeilijkheden groter. In het jaar „1917 was het nodig tot de inrichting van de Centrale Keuken te ״besluiten. Nog altijd werden de moeilijkheden groter. In den