J. W. C. TELLEGEN 261
neerlegde, dan te vergaderen onder voorzitterschap van een man, die eens zijn stem nodig had om tot directeur van den Woningdienst te worden benoemd.
Hoezeer de hoofdstedelijke bevolking de benoeming van Teilegen tot burgemeester zag als de voortzetting van zijn werk aan den woningdienst en niet als de bekroning ervan, kwam tot uiting in de rede, met welke de waarnemend burgemeester, wethouder Josephus Jitta, den nieuwen burgervader toesprak. ,,Wij staan niet als vreemdelingen tegenover elkaar. Gedurende uw veeljarigen arbeid in Amsterdam hebben wij u leren kennen en waarderen als iemand met een vasten wil en een eerlijk karakter, als een man van grote energie en met bijzondere bekwaamheid. Behoef ik er aan te herinneren, welke verwachtingen van u werden gekoesterd bij uw benoeming tot directeur van Bouwen Woningtoezicht en hoe gij aan die verwachtingen hebt beantwoord ? Laat ik slechts de woorden aanhalen, bij de behandeling van de Bouwverordening in 1905 in deze zaal door den toenmaligen burgemeester, mr. van Leeuwen, gesproken, toen hij u, zoowel namens voor- als tegenstanders, warme hulde bracht voor het werk, met noesten arbeid en taaie volharding door u tot stand gebracht; een werk, waarbij gij van vele zijden tegenstand hebt ondervonden, maar dat in de woningomstandigheden een zo belangrijke verbetering tot stand heeft gebracht." De nieuwe burgemeester schetste in zijn antwoord-rede, welke hoge betekenis hij hechtte aan het nieuwe ambt. ,,Iedereen zal het natuurlijk vinden", zo sprak hij, ,,dat in de dagen, als ik in de laatste weken heb doorleefd, de gedachten ook naar het verleden zijn teruggegaan, naar de dagen der jeugd en naar het ouderlijke huis, dat hoewel niet meer bestaande, toch een onuitwisbare plaats in ons gedachtenleven blijft innemen. En dan zie ik weer voor mij, naast mijn vader, wiens invloed op de vorming van mijn geest en karakter de beste adelbrief is, welken ik bij het aanvaarden van het burgemeesterschap kan