J. W. C. TELLEGEN 258
tal slechte woningen wel verminderd, maar de bouw van nieuwe had met het tempo der afkeuringen geen gelijken tred kunnen houden. De woningvoorraad in Amsterdam werd dan zo gering, dat er stemmen opgingen, die de onbewoonbaarverklaringen voorlopig stop wilden zetten. Tussen Woningdienst en stadsregering werd binnenskamers menige harde strijd gestreden, maar ook tussen gemeentebestuur en het hoger gezag, dat, wanneer de raad onbewoonbaarverklaringen weigerde, ze menigmaal toch wist door te zetten.
Zo groeide de stad aan alle kanten. In de jaren van 1901 tot r 910 zag Amsterdam het nieuwe gedeelte van de Van Beuningen-buurt verrijzen, het da Costaplein en omgeving, het stadsgedeelte aan het einde van de Jacob van Lennepstraat en Kinkerstraat, de omgeving van het Staringplein, de Valeriusstraat en Johannes Verhulststraat, de Frans van Mierisstraat, de Jan Luyckenstraat, het stadsgedeelte ten Zuiden van de Van Ostadestraat, het begin van wat later de Afrikanerbuurt zou gaan heten, het thans oude gedeelte van de Indische buurt.
,,Kent ge de feiten ?" was een vraag, die directeur Teilegen zijn hoofdambtenaren placht te stellen, wanneer zij hem nieuwe voorstellen voorlegden; waarlijk, er was reden om die vraag dikwijls te stellen, want een woningstatistiek bezat Amsterdam niet. Teilegen legde er de grondslagen voor en bouwde haar op. De Amsterdamse woningstatistiek, grondslag voor de moderne uitbreiding van de stad tot in onze dagen, werd de schepping van directeur Tellegen.
In 1911 had de sociaal-democratische raadsfractie een voorstel ingediend om van gemeentewege door den bouw van een groot aantal woningen in den directen woningnood te voorzien. Het voorstel ging naar Burgemeester en Wethouders om het prae-advies, dat, zoals gebruikelijk, door den directeur van den Woningdienst moest worden ontworpen. Eerst veel later zou dit