244 WILLEM DANIËL CRAMER
aan, ofschoon de Pijpgaz Compagnie al jaren gegadigde was over het plaatsen van straatlantaarns. Ook binnen de huizen weinig licht, een olielamp, een talkkaars; bij feestjes en partijen ten huize der meergegoeden het trillend schijnsel der kaarsenkroon. Men zocht zijn vermaak bij voorkeur in den kring van vrienden en verwanten, een opgewekt gezelschapsleven bij geur van thee en slemp, of een goed glas wijn, het reciteren van plechtige verzen, den zang van romances: ,,Fleuve du Tage, je fuis tes bords heureux."
Trouwens het huiselijk bedrijf was nog in vollen bloei. Zoals men leefde in zijn stad, los van de wereld daarbuiten, zo was ook het gezin zichzelf genoeg. Alles gebeurde thuis. Geboren worden, trouwen, kinderen krijgen, dood gaan. Maar ook wassen en mangelen en naar het seizoen inmaken, inleggen, slachten en zouten. Een leven, naar later begrip, onhygiënisch en primitief: men dronk nog het water uit goot of put, baden was onbekend, geen frisse lucht in kamers, waar men woonde of sliep. Maar toch had dit leven zijn grote bekoring, een sfeer van rust en knusse vredigheid, waaraan het goed was deel te hebben. Groot was hij niet, deze tijd. Integendeel, gelatenheid en berusting vormden den ondertoon van heel het leven dier dagen. De herinnering aan de ellende der Franse overheersing was nog sterk genoeg om het geslacht, dat dit alles aan den lijve ondervonden had, zich te doen koesteren in den betrekkelijken welstand, de zorgeloosheid, die men genoot. Men voelde geen behoefte aan verandering, verzoend met den toestand zoals die was. Van alle actie en politiek had men rijkelijk zijn bekomst. Was korten tijd nog de hoop gekoesterd, dat oude bloei en welvaart terug zouden keren, het werd spoedig duidelijk, dat daar niet meer op te rekenen viel. Zeker, vlijtig en arbeidzaam was men, niet minder dan voorheen, maar zonder grote verwachtingen, zonder plannen voor de toekomst. De glorieuse rol der natie was uitgespeeld. Vredig en verdraagzaam ging ieder zijns weegs, tevreden met