217 WILLEM DANIËL CRAMER
eeuw langs statige grachten, in smalle winkelstraten en bont bedrijvige volksbuurten. Langzaam zeulden er sleedjes over de helder geschrobde keien, met hoefgetrappel en wielgeratel reden de brommertjes op hun hoge assen, een dokterskoetsje, een postkar, een sierlijke equipage gaven afwisseling aan het straatbeeld. En de mensen gingen kalm huns weegs. Zij kenden geen haast, tevreden met hun stad en met hun tijd, betrekkelijk zorgeloos hun lot aanvaardend, het leven, dat niet groots was, vol daverend gebeuren, maar juist goed genoeg om er mee verzoend te zijn.
Een wereldje op zich zelf, dat Amsterdam. Niet meer de machtige staat in den staat, die het eigen land en den vreemde de wet oplegde, doch een knus onderons binnen poorten, wallen en singels, die geen militaire betekenis meer hadden, maar slechts de intimiteit der stadsgemeenschap verhoogden. Bij de poorten stonden wachthuisjes der commiezen, belast met de heffing der stedelijke accijnzen, 's Avonds gingen de poorten dicht en slechts voor den laten bezoeker of inwoner, die het poortgeld wilde betalen, opende zich het klinket. Aan den Ykant gaf in den avond de boomklok haar helder geluid. Dan sloten zich de boomen in de invaaropeningen van het havenfront en staakte de raderpont, door paarden voortbewogen, den dienst. Reizigers, die naar den overkant moesten, bleven den nacht in de Nieuwe Stadsherberg, uitgebouwd in het Y. Daar zat men bijeen in de grote gelagkamer bij het kunstig gestapeld turfvuur in de schouw, in het schijnsel der raapolielampen, 's Nachts in bed, achter saaie gordijnen, hoorden de gasten het water klotsen, buiten om de palen. Bij ruw weer gromde de wind langs de houten muren, braken de golven van het Y met luid gerucht.
Het avondlijk Amsterdam scheen als uitgestorven. De nachtwacht maakte zijn ronde, eentonig de uren roepend. Hier en daar brandde een spaarzaam olielicht, de réverbères, aan een katrol tussen de huizen gehesen. Gasverlichting dorst men niet