WILLEM JfOSEPH VAN BRIENEN VAN DE GROOTE LINDT 200
bevond, met groot genoegen werd aangehoord. Door het opdienen van den maaltijd werd de conversatie afgebroken. Weiligt zal men vooronderstellen, dat eene dusdanige rondborstige taal eene ongunstige uitwerking maakte en mijne positie verergerde, maar hierover was ik niet bevreesd, aangezien het Gouvernement wel mogt zien, dat men voor zijne zaak durfde uitkomen. De uitslag beantwoordde dan ook volkomen aan mijne verwachtingen. Nog denzelfden avond laat ontving ik van den Gouverneur-generaal eene uitnoodiging, om des anderen daags vroegtijdig mij bij hem te vervoegen, en den heer Dedel, Staatsthesaurer, mede te brengen. Op het bepaalde uur daar gekomen, vond ik buiten den Prins Gouverneur-generaal niemand anders, dan den heer Baron d'Alphonse. In welke bijeenkomst, zonder den Prefect gehouden, het budget voor het loopende jaar gearresteerd is."
Klachten over van Brienen bij Napoleon bleven dan ook niet uit. Ongetwijfeld moet de burgemeester, het belang van de stad tegen de afgezanten van den Keizer verdedigend, hebben geweten, dat hij in Parijs niet te zeer op steun mocht rekenen; in de stad zelf werd zijn optreden niet begrepen, schroomvallig als hij was om aan zijn verzet tegen den prefect en diens bevelen, door al te grote ruchtbaarheid meer relief te geven dan hem in het belang van Amsterdam nuttig voorkwam. Het oude mistrouwen j egens de Katholieken was nog niet gestorven; naarmate de tijden slechter werden en, ten onrechte, de Katholieke van Brienen vereenzelvigd werd met het bewind, dat zo schone toekomst had beloofd en zo slecht die beloften had gehouden, klonk het gemor luider. Maar even onaandoenlijk als de burgemeester was voor de invloeden, die de Franse autoriteiten op hem oefenden, even onbewogen bleef hij onder het wantrouwen der stadsbevolking. Deze man had een hoog gevoel van zijn verantwoordelijkheid,
hij deed zijn plicht en keek rechts noch links.
#