il6 COENRAAD VAN BEUNINGEN
dreigde te verzinken in de vergetelheid der landelijke afzondering. Het jaar 1650 bezorgde hem, op voorspraak en na aandrang van zijn familie, het ambt van pensionaris der goede stad Amsterdam. Dat ambt vroeg van zijn vervuiler grote bekwaamheid en sterk vertrouwen; de pensionaris moest de stad in alle zaken van advies dienen, hij moest de vergaderingen van de schepenen bijwonen, maar — nog belangrijker! — hij moest de afgevaardigden der stad begeleiden, wanneer zij voor beraad naar de Staten van Holland togen. In de Staten van Holland moest hij het woord voeren — dat kon hij! — hij moest er nauwkeurig aantekening houden van al het gesprokene en verhandelde, in persoonlijke aanraking met de andere afgevaardigden de belangen der stad trouw behartigen en weer thuis gekomen aan de oevers van den Amstel, nauwkeurig verslag kunnen doen van alles wat voor de stad van belang kon zijn. Geen geringe verantwoordelijkheid voorwaar! Twee jaar vervulde hij dit ambt; hij deed het met grote bekwaamheid en tot volle tevredenheid van allen, jegens wien hij verantwoordelijk was. In die twee jaar leerde hij ook de gebroeders de Witt kennen, met wie hem een hechte vriendschap verbond, die pas verbroken werd, toen de politieke moord een einde aan het leven der gebroeders maakte. In 1652 brak de Engelse oorlog uit; op den 15en Augustus van dat jaar vertrok Coenraad van Beuningen naar Zweden om er een opdracht te vervullen, die voor den goeden afloop van dezen oorlog tussen twee handeldrijvende natiën, van beslissende betekenis kon worden. Want met Zweden waren deze landen verbonden door tractaat en het was voor den politieken strateeg van dezen oorlog, den knappen Johan van Oldenbarneveldt, van het hoogste gewicht om te weten of Zweden zich in dezen oorlog slechts afzijdig zou houden van den handel in oorlogstuig op Engeland, dan wel of het een uitgesproken vijandschap jegens dat land aan den dag zou leggen.
Twee jaar bleef Coenraad van Beuningen in Zweden. Hij streed