IOO WILLEM BACKER
Amsterdam; de houtschepen waren niet veel minder in getal. Het graan bleef slechts tijdelijk in Amsterdam gestapeld, om verder te worden vervoerd naar alle windstreken, het hout werd verwerkt door de industrie. Ook de Walvisvaart had aan het Y haar zetel, tijdelijk het monopolie der Noordse Compagnie. Naar het Westen lokten de havens van Frankrijk, Spanje en Portugal, Lissabon vooral, stapelplaats der Indische producten, ongeacht de schade die men leed door het kapen der Duinkerkers en het begrijpelijk risico van den handel met Philips' onderdanen, den vijand, die men te land en te water bevocht, een wel eigenaardig bedrijf, waarbij men op alles moest voorbereid zijn. De expansiedrang van den Amsterdamsen handel dreef de schepen al verder en verder. De Straatvaart opende de havens der Middellandse Zee; tot Venetië en de Levant zeilden de ״Over-kostelijcke en rijkgeladene Straatvaarders." De betrekkingen tussen Amsterdam en Venetië waren altoos zeer hartelijk geweest. Zij vonden hun bekrachtiging in het verdrag tusschen de Republiek der Verenigde Nederlanden en Venetië, tussen „de Leeuw met het Swaerdt en de Leeuw met het Boeck", in 1620 gesloten. Maar uiteindelijk zocht men den vrijen weg, onafhankelijk van Lissabon, „de gherade ende wel handelbare vaert, die voerde tot aan de uyterste ende rijckste palen van Azië ende den eylanden Oceani." Eerst Noordwaarts door het ijs poogde men dien weg te banen, een moedig ondernemen, dat grote offers vroeg, maar niet tot het begeerde doel leidde. Beter slaagde men in Zuidelijke richting. Nog in de zestiende eeuw rijpten daartoe de plannen. De eerste Compagnie van Verre werd opgericht en rustte schepen uit voor „een reyse op de landen liggende voorbij de Cabo de Bona Esperanza." De eerste Indiëvaart onder de Houtman en Keyser slaagde en ofschoon de winst niet groot was, gaf zij de Amsterdammers moed om op den ingeslagen weg krachtig voort te gaan en zich in Oost en West den toegang tot 's werelds rijkdommen te ontsluiten.
Twaalf Burgemeesters 7