zijn kachel laten brommen van de opbrengst van kogelflesjes, glaasjes Fosco, kopjes koffie en kosjere biscuitjes. Zijn nering loopt, maar één zorg vreet aan zijn gemoedsrust. Er zijn mensen, die in de pauze wel iets willen gebruiken, maar niet bij hém. Die willen in 't café aan de overkant gauw een keiletje pakken. Of, het jonge goed, wil bij Jamin voor een paar centen snoep kopen, liever dan de kleverige zoetigheid van champagnepils. Of de vrouwen willen even snel ergens een zakje mangelen kopen; ze hadden weliswaar kersausies bij zich toen ze naar Tsip Tsop gingen, maar ze hebben voor de pauze te vlug genasjt. Al die mensen willen ome Sander en zijn buffet de rug toe keren.
Ten gerieve van de buffetexploitatie heeft ome Jozep, de directeur, derhalve de bescheiden ingang, die hal heet, van de straat laten afsluiten met een solide hek. Als de pauze aanbreekt, staat Hes de portier op post. Al wie er uit gaat, die komt er nooit weer in. Maar de mensen uit de buurt zijn vindingrijk.
'Och Hes, doe me een mitzwe. Laat me er eventjes uit. Mijn kinderen liggen alleen. Even naar de gezegende kinderen kijken.'
Weiger zo'n menselijk verzoek maar eens. Of:
'Hes, laat me eventjes eruit. Ik moet een paar sigaren halen bij Mast.' Of:
'Och Hes, mijn moeder was vanmiddag zo naar. Laat me er even uit. Horen of de dokter al geweest is.'
De kinderen evenwel draaien er geen doekjes om. Ze zeggen met een eerlijk gezicht:
'Hes, we hebben geen centen voor het buffet. Magge-me er even uit, een negerbal voor een halfje kopen, bij Jamin.'
Dat is een valide reden. Evenwel, als ze terugkomen ont-
97