Zeggen ze:
'Die jongen heeft een prachtstem. Wat een "kol".'
'Geen wonder. Weet U niet wie zijn grootvader was?'
'Hoe zou ik dat moeten weten? ik ken die hele jongen niet.'
'Kerpel... Kerpel! de grootste zanger, die ooit heeft bestaan. Wat vertelt U me daar, heeft U nog nooit van Kerpel gehoord? U moest zich schamen. Dat wil over opera's meespreken en heeft nog nooit van Kerpel gehoord.'
Zegt de ander:
'Als U het mij vraagt, doet zijn stem me even aan Isal-berti denken.'
'Isalberti? Isalberti? Hoe komt U daarbij? Valt me waar-achtig-als-God nog mee, dat U niet zegt, dat zijn stem op Else Grassau lijkt. Die stem... er is maar één stem, waar die jongen me aan doet denken. Weet U het niet? Nou raad U eens, U weet het niet, nou goed, dan zal ik het U even zeggen. Aan Sjaak Urlus, jawel, aan niemand anders dan aan Sjakie Urlus.'
'Nou U dat zegt, U hebt gelijk, Sjaak Urlus. Niemand anders. Als twee druppels water Sjaak Urlus, maar een beetje Orelio zit er ook wel in.'
De vrijwillige aria's op het schellinkje worden nooit aangekondigd. Ze borrelen uit een van muzikaliteit overvloeiend gemoed. De spontane zanger is de stem van het publiek waarvan hij een deel is. Wie het verschil niet voelt tussen Verdi en Bizet, mist een van zijn zintuigen. Zij kennen alle melodieën uit het hoofd. Soms is de tekst gecompliceerd. Maar dan helpen ze zichzelf uit de nood. Als het officiële libretto eist, dat er gezongen wordt:
'Daar komen zij, de landelijke schó-ó-ó-ó-nen...'
...dan zingen zij gemakshalve:
'Daar komen zij de schandelijke ló-ó-ó-ó-nen.'
82