Het is half drie als Henri du Pont eindelijk arriveert en al praat iedereen natuurlijk over de diefstal en het schandaal in de buurt, wanneer Henri eindelijk op een stoel zit, zwijgt iedereen.
Zegt Henri: 'Al is de erfenis niet zo verschrikkelijk veel waard, toch heb ik groot nieuws, want niet alleen dat ik het geld van de reis terug heb, maar de perkamenten brengen tweeduizend gulden op, omdat ze voor een museum belangrijk zijn.'
Het komt hierop neer dat de papieren behoren bij ons eiland, maar veertig jaar geleden hebben ze in Nicaragua een wet aangenomen dat die oude papieren niet meer geldig zijn, alhoewel ze door de regering worden opgekocht als museumstukken. Bij elkaar brengen ze tweeduizend gulden op, wat toch altijd tweeduizend gulden meer is dan helemaal niets. Iedereen zit zwijgend te rekenen en neef Simon en neef Gerrit fluisteren tegen hun vrouwen, maar grootmoeder staat op en zegt duidelijk, zodat iedereen het hoort, tegen vader dat hij delen moet, eerlijk is eerlijk. Die tweeduizend gulden moeten onder de familie worden verdeeld, de lui van Vlooienburg hun portie en oom Max en wij, en dan zullen we wel zien wat er overblijft. Neef Gerrit zegt dat eerst de pandjes die wij in de lommerd hebben staan moeten worden afgelost, want tenslotte zijn dat de onkosten geweest om Henri naar Parijs te sturen en onkosten worden zogezegd door de firma gedragen en pas daarna zullen ze gaan delen.
Zegt moeder: 'We hebben al die tijd gedroomd en nu zijn we wakker geworden, het gewone leven gaat weer beginnen, met zijn zorgen en zijn armoe.'
Maar in elk geval gaat de levensmiddelenhal door. De kredietgevers trekken zich niet terug. Appie heeft het met Betje uitvoerig besproken, vader kan bij hem in de hal ko-
189