niemand nog weet. Zo, dus de vriend van Sientje en Dient je is boven geweest, terwijl onze familie op het perron met Henri du Pont staat te praten? Dat moet de commissaris van politie weten. Opeens ziet iedereen duidelijk wat er gebeurd is. De zusjes staan bij ons aan de deur te luisteren, als juffrouw Van Bever vertelt dat de papieren bij haar in de brandkast liggen. Daarna komen die twee kwinkkwank-floddermadammekes bij ons binnen zogenaamd om ons te feliciteren, maar onderwijl kijken ze goed uit en waarschuwen ze de vriend, die de brandkast leeg haalt.
Vader gaat naar het politiebureau en neef Gerrit en neef Simon beginnen aan moeder en grootmoeder alle bijzonderheden te vertellen van alles wat er de laatste tien jaar in hun gezinnen is gebeurd, want zo lang zijn ze vijanden van ons geweest en nu we weer vrienden zijn moeten we toch alles van elkaar weten.
9
Het is zaterdagmiddag twaalf uur. Er zit een groot gezelschap in onze kleine woning. Vader, moeder, grootmoeder en ik, dat zijn vier, en Jonas Slap en Appie en Bet je, dat zijn zeven, en juffrouw Van Bever met haar zoon zijn negen, en dan komt neef Simon en neef Gerrit elk met hun vrouw, negen en vier is dertien, en Gommetje maakt de veertien vol. De mensen puilen uit de kleine kamertjes, alleen de keuken is vrijgebleven, want daar staat de koffie te koken, een grote ketel vol voor al die mensen. Er wordt op de deur geklopt en het is oom Max, dat is dus de vijftiende die er nog bij moet. Iedereen schuift een eindje op. Gommetje begint te zeuren om een ijsje. Iedereen krijgt de neiging om ruzie te maken, maar dat is het ongeduld, want we zitten te wachten op Henri du Pont, die getelegrafeerd
186