De trein gaat vertrekken en dat is maar goed ook, want anders gaat dat hele gezelschap nog staan filosoferen over de betekenis van geld en dan zie ik er nog van komen dat vader alles terugneemt en de perkamenten gaat vergeten.
Als we in de Markensteeg terugkomen, is daar Koninginnedag uitgebroken, gevierd door honderden mensen, met een groot draaiorgel vlak tegenover onze deur en met mutsen op en mirletons die lawaai maken. Maar het is geen Koninginnedag, het is een feest dat ze op touw hebben gezet ter ere van ons en het huis op nummer negen is het middelpunt met een groot stuk karton boven de deur:
gefeliciteerd
en daaronder een ander bord, waarop lovertjes in gouden glimmers de woorden laten lezen:
hulde aan de erfgenamen
Vader wil weten wie deze dwaasheid heeft bedacht en hij kijkt wantrouwend juffrouw Van Bever aan, maar die weet opperbest dat we nog lang geen miljonairs zijn, dus misschien heeft Appie het feest op zijn geweten of iemand anders, in elk geval is zij onschuldig.
Als we de steeg inlopen, wijken de mensen eerbiedig opzij. Iedereen groet ons. Het lawaai houdt op, zodat het net is alsof we een bruiloftstoet zijn, die een kerk binnentreedt. Vader wenkt ons, we moeten snel mee naar boven gaan, stel je voor dat we nog langer op straat blijven, maar iemand roept dat we moeten trakteren en dat vader geen spelbreker moet zijn.
Zegt grootmoeder: 'Als aan deze besmettelijke ziekte niet gauw een eind komt, ga ik naar de politie.'
172