ren we haar snuivend en hijgend de drie trappen afzakken.
Zegt grootmoeder: 'Geld brengt bij de mensen allerlei dingen aan het daglicht, die je nooit vermoedt, want je ziet de mensen wel op straat lopen, maar wie kan er achter hun voorhoofd kijken, totdat de toverheks ze begoochelt.'
Moeder beweert dat het allemaal niets te maken heeft met toverheksen. Alle mensen die we kennen, zijn net zo arm en naakt als wijzelf, wij hebben linnengoed in de lommerd staan en juffrouw Van Bever piekert omdat haar man ziek is.
Grootmoeder zegt: 'Nee, geld is een toverheks, ze moesten het maar afschaffen. Als iedereen even arm is, is iedereen even rijk.'
Een goed uur later davert de steeg plotseling van een hooglopende ruzie tussen Appie en Betje. Vader komt thuis, hij is met moeite door het gedrang gekomen, want als die twee met elkander aan het bakkeleien zijn, wil iedereen op de eerste rang meekijken en meehoren.
Er wordt op de deur geklopt. Jonas, de barbier uit het benedenhuis vraagt of hij misschien even met vader kan spreken. Waarom niet? Begin maar meteen en laat de franje weg, want veel tijd voor kletsen is er in schafttijd niet. Nou goed dan, het gaat over de concurrentie tussen Appie en Betje en over de ruzie en dat die twee elkander het licht in de ogen niet gunnen, en nu komt bij alle narigheid nog iets anders.
Vraagt vader: 'Wat dan?'
Zegt Jonas: 'Doe niet zo onnozel, je weet drommels goed dat ze nu ruzie hebben om jouw geld.'
Om kort te gaan, Betje is verschrikkelijk in de war. De mensen vertellen dat Appie met geld van onze erfenis een grote winkelhal gaat beginnen, waardoor hij de hele straathandel uit de steeg in zijn macht krijgt. Tegen zijn hal zal
157