maken. Er zijn stoepjees, die iemand aan het begin van de straat een vals gebit kunnen verkopen en in staat zijn het aan het eind van de straat terug te kopen tegen de helft van de prijs. Zulke lokkers zijn echter bekend als de bonte hond. De mensen maken liever een omwegje dan voorbij de winkel te gaan, waar zo'n tijger op de loer ligt. Omdat ze vrijwel geheel van provisie leven, zijn arrogante stoepjees dus slechte kostwinners.
De stoepjee dient een gezicht te kunnen trekken waar de Jehoveaanse al-omvattende goedheid van afdruipt. Als hij kleine kinderen aanhaalt, moeten de moeders het trotse gevoel hebben dat hij niet schmeichelt.
'Och, wat een sjatsie, unbeschrieje unberoefe. Wil U wel geloven, elke dag gaan hier duizenden kinderen voorbij, maar zó'n beeld, nee, dat zie je maar één keer.'
Een stoepjee is een makelaar pur sang. Zijn speurend oog en scherpe mensenkennis doen hem de potentiële klanten herkennen zodra ze in de verte de hoek van de straat omslaan. De beroemdste stoepjee van Amsterdam is Mark Italiaander. In de Damstraat sorteert hij de voorbijgangers. De eerste groep bestaat uit klanten. De tweede uit waardeloze mensen. De klanten verdeelt hij dan weer onder in: ten eerste de makkelijke, bij wie het geld in de zak brandt; ten tweede de lastige, die je eerst de derdedaagse koorts moet inpraten voordat ze zich herinneren dat ze zijn gekomen om te kopen en tenslotte de kaksougers, die liefst een dozijn costuums voor één gulden willen kopen en een ratiné overjas als premie gratis erbij. Mark is ook een groot man in de politiek. Hij is actief lid van zijn vakbond. Daar staat zijn singulier beroep bekend als 'aanprater'. Hij zelf zegt: 'Ik ben aansmoezenier'. Hij is tevens een eloquent aanhanger van zijn politieke partij; daar is hij berucht als véélprater. Hij slaat geen vergadering over. Als er gele-
118