wordt, dat ze weliswaar verbaal opmaken, maar dat ze die papiertjes later verscheuren, omdat ze het niet over hun goede hart kunnen verkrijgen Joodse namen in zulke schandverwekkende documenten te vermelden. De ene agent heet Izak Bachrach, de andere luistert naar de vriendelijke roepnaam 'Jodewillem' en ze dienen onder commissaris van Raalte, óók geen mohammedaan.
Van Bachrach en Jodewillem vertellen de kinderen elkaar een schoon verhaal.
Op een avond loopt Jodewillem door de Plantage Middenlaan. Op de hoek van de Parklaan vindt hij een dood paard. Hij naar het Meyerplein om er zijn rapport te schrijven. Middenin die administratieve besogne vraagt hij aan agent Bachrach:
'Zeg Izak, schrijf je Middellaan met één of met twee I's?'
Bachrach denkt lang en ernstig na. Als zijn hersens vergeefs hebben geknarst, staat hij op en zegt:
'Willem, ga mee, we gaan het paard naar de Muider-straat schleppen.'
Hoe lankmoedig die twee ook mogen zijn, er is één vergrijp waarvoor ze geen genade kennen. Het heeft te maken met het ontbreken van een riolering voor vele huizen in de buurt.
De rijke huizen in de buurt zijn trots op hun stilletje: een soort kast achter de keuken, waarin een plee met een deksel er bovenop er getuigenis van aflegt, dat de nieuwe tijd zich onweerstaanbaar baan breekt. Maar de meeste mensen in de buurt zijn aan zoveel weelde nog niet toe: hun huizen zijn wat de afvoer van menselijk vuil aangaat even modern als het hol van Brinio de Konijnengrijper.
Op de portalen zijn de emmers. De jiddische mamma's
1 '5